Ondersteuning voor brugklassers

Voor brugklassers is het aan te raden om eventuele hiaten vanuit het basisonderwijs op te vullen. Het Bruggetje biedt daarom speciale lessen voor brugklassers op gebied van rekenen en Nederlandse taal. 

In het voortgezet onderwijs  krijgen leerlingen te maken met een rekentoets als verplicht onderdeel van het eindexamen. De rekentoets is bestemd voor alle leerlingen van het voortgezet onderwijs. Het is gebleken dat een groot deel van de brugklassers voor deze rekentoets wel een herhaling van de basisstof kan gebruiken. Het Bruggetje biedt deze mogelijkheid.  Na afname van een korte rekentoets wordt  op basis van de resultaten van die toets,  de onderdelen die hiaten vertonen in de lessen behandeld.

In 6 tot 12 lesuren wordt de stof van groep 7/8 herhaald zodat de stof van de brugklas  weer probleemloos aansluit. De lesstof en het tempo wordt aangepast aan het tempo en het niveau van de leerling.

Hieronder in het kort de onderdelen die in de rekentoets voor het voortgezet onderwijs voorkomen:

getallen: schatten, getalnotaties, aantallen, hoeveelheden ,maten, decimale getallen, vergelijken, ordenen plaatsen op een schaal,  neg. getallen optellen/aftrekken, afronden, optellen, aftrekken, delen, vermenigvuldigen, breuken, procenten,  machtsverheffen, worteltrekken;

verhoudingen:procenten, samenhang tussen verhoudingen/procenten/breuken/decimale getallen, rekenen met samengestelde grootheden zoalskm/u, rekenen met percentages, procentberekeningen, schaal, vergelijken van verhoudingen;

meten/meetkunde: gangbare maten en referentiematen gebruiken, afmetingen bepalen en afpassen, schaal berekenen, passende maateenheden gebruiken, routes beschrijven en lezen, problemen oplossen die te maken hebben met geld/tijd/lengte/oppervlakte/omtrek/inhoud/gewicht/tijd/temperatuur/geld/snelheid, maten aflezen uit tekeningen en plattegronden, coördinaten, afstanden, namen van vormen;

verbanden: tabellen, grafieken, formules, vuistregels,  gegevens in tabel weergeven,  gegevens uit tabel herkennen/beschrijven/interpreteren/gebruiken.

Niet op elke basisschool wordt evenveel aandacht besteed aan werkwoordspelling en het ontleden van zinnen. Hierdoor hebben veel leerlingen in de brugklas problemen met het bijhouden van het tempo waarop deze onderwerpen in het voortgezet onderwijs wordt aangeboden.

Wordt het dt, d of t in de tt? En dd of tt in de vt?
In de lessen leer je werkwoorden op de juiste manier vervoegen.
Je leert het verschil zien tussen: de persoonsvorm, het voltooid deelwoord en het bijvoeglijk gebruikt voltooid deelwoord.
In de lessen worden bijbehorende regels duidelijk en overzichtelijk uitgelegd, zodat je voortaan alles foutloos kunt opschrijven.

Vind je het ontleden van zinnen een onoplosbare puzzel?
Tijdens de lessen lossen we de puzzel stap voor stap op.
In de lessen leer je o.a. de onderstaande zinsdelen te benoemen:

redekundig ontleden

  • persoonsvorm
  • gezegde
  • onderwerp
  • lijdend voorwerp
  • meewerkend voorwerp
  • bijwoordelijke bepalingen

Taalkundig ontleden

  • lidwoord
  • zelfstandig naamwoord
  • bijvoeglijk naamwoord
  • werkwoorden
  • telwoorden
  • voorzetsels
  • bijwoorden
  • voegwoorden
  • voornaamwoorden

In 6 tot 12 lesuren wordt het vervoegen van werkwoorden en/of het ontleden d.m.v. duidelijke schema's, uitleg en oefening aangeleerd. Bovendien wordt de stof aangepast aan het tempo en niveau van de leerling.

Ook op Facebook!