3. Rekenen (basis)

De onderdelen bij rekenen:

  • Optellenrekenen
  • Aftrekken
  • Vermenigvuldigen
  • Delen
  • Breuken
  • Procenten
  • Verhoudingen
  • Tijdrekenen
  • Geldrekenen
  • Statistieken

Bij rekenen is het van belang dat een kind een aantal rekenhandelingen automatiseert. Als je optellen (7 + 5 =), aftrekken (16 – 7 =), de vermenigvuldigings- en deeltafels (7 x 6 =, 25 : 5 =) geautomatiseerd hebt, gaat de rest van het rekenen, zoals staartdelingen, breuken, procenten en verhoudingen, een stuk makkelijker en sneller. Het oefenen hiervan hoeft helemaal niet saai te zijn; het kan mondeling, schriftelijk, maar ook via spelletjes (ook op de computer). Wie de tafels niet makkelijk kan onthouden kan ook nog gebruik maken van een tafelkaart.

Voor een heleboel onderdelen van rekenen geldt dat je eerst het voorgaande onder de knie moet hebben om  het volgende onderdeel te kunnen begrijpen. Bij elk onderdeel laat ik kinderen concreet met het probleem werken. Zo wordt er bij breuken echt iets verdeeld: bijvoorbeeld een reep chocola van 12 blokjes eerlijk delen met 4 kinderen (¼ van 12 =). Pas als het kind dat begrijpt en ziet wat er gebeurt, ga ik over op abstract rekenen.

In elk onderdeel wordt gewerkt van makkelijk naar moeilijk. Per kind kijk ik eerst op welk niveau er met de extra hulp gestart moet worden. Zo pakken we samen de hiaten aan.